onder de molen
patat, sap en ijs
boven de wolken
Ze fietst voorbij
de jas open
welft de buik bol
in shirt buiten
Ze hangt aan een
mobiel slingert
het pad losse
hand aan het stuur
En praat over
een jurkje de
pumps eronder
zegt ze hoorbaar
Alleen heb ik
een tijgerprint
daar overheen
aangetrokken
De print is niet
te missen net
als de blik die
mij terugkijkt
Ze zit aan de
waterkant de
benen zijn wat
opgetrokken
De knieen zien
het meeste zon
ze leunt ook wat
achterover
Zodat warmte
over haar straalt
het water staat
golvenloos stil
Geen siddering
doet rimpelen
de hemel is
in spiegelbeeld
Daar zit ze in
het water en
tuurt omhoog en
dankt de vissen
Waar eens ijs was
dorst de hemel
de warme zon
haar bolletje
Ik zie hoe het
gras groen groeit want
het voorjaar is
nu begonnen
Vanmorgen zwom
de familie
zwaan door de gracht
statig nek hoog
In een trage
peddelslag ging
het voorbij pa
voor ma achter
Later zag ik
ze samen staan
bij het park aan
de waterkant
Ze aten gras
eentje blies boos
de grassprieten
uit de snavel
Een heuse clan
hees zich op in
water en dreef
statig verder
Het pad kronkelt
door het park een
heuse rivier
meandert weg
Van bruggetjes
wandelaars op
zondagmiddag
roken voor mij
De bankjes vol
liggen buiken
op schoot gerold
in voorjaarszon
De jassen nog
aan maar knopen
staan strak kijk uit
voor de kapers
Daar gillen de
kinderen van
het spelen de
ouders roepen
Handenklap waar
blijf je nou toch
een bootje tuft
over het nat
Maar verder draalt
zondagmiddag
langzaam van de
smalle paadjes
De rivier is
opgedroogd de
zon verstopt zich
in de wolken
Zo dobber ik
weer alleen op
dun water van
paadjes in park