een smalle gracht
gegraven in wolkenwit
een blauwe schacht
Vanmorgen zwom
de familie
zwaan door de gracht
statig nek hoog
In een trage
peddelslag ging
het voorbij pa
voor ma achter
Later zag ik
ze samen staan
bij het park aan
de waterkant
Ze aten gras
eentje blies boos
de grassprieten
uit de snavel
Een heuse clan
hees zich op in
water en dreef
statig verder
Een eend kwaakt op
de rommel kroost
bruin het vieze
water boven
Maar de randen
zijn mooi nieuw hout
houdt water en
kant gescheiden
De rietkragen
drijven nu op
de sloot die wij
een gracht noemen
Ik vraag me af
wat de eend zo
luidkeels aan ons
heeft versnaderd
Hij dobbert mee
op de drap naar
waar het water
hem nu toe leidt