het hemels gerecht
waar de eerste schouwburg stond
toneelt een hotel
Er staat een uur
wachtenden voor
mij schuifelen
het instituut
Binnen via
een deur die straks
dichtblijft voor de
boekliefhebber
Het is niet lang
meer straks mag ik
het walhalla
binnentreden
Boven mij staart
een beeld in een
boek dat bijna
uit zijn hand valt
Als ik goed ga
staan kan ik het
nog vangen maar
de deur opent
Afscheid nemen
valt dit jaar zwaar
normaal trek ik
zo de deur dicht
Maar vandaag bleef
de klink nog een
tijdje aan mijn
vingers kleven
Ik zag hoe mijn
bureau tegen
de ramen hoog
en traag traande
De stoel was leeg
maar hield zich goed
net als ik dat
komt pas later
Voor @jjvoerman
Ik staarde de
lucht leeg van de
wolken in mijn
hoofd was alles
Verdwenen in
stapeltjes van
kleine pufjes
als rooksignaal
Het licht luchtte
de rest weg en
de gedachten
zweefden bellen
Wat overbleef
was ik in de
meest kale vorm
een met de lucht
Nooddruftigen
voor allen is
wel een plekje
om te slapen
Een matras op
de grond erbij
kom er maar bij
we schikken in
Dan is er wel
ruimte genoeg
voor iedereen
met een restschuld
Zo drijft regen
naar het laagste
punt van de straat
een diepe plas
Jij verstokte
grijsaard laat je
beduimelde
vingers klitten
Op het bureau
trek een lijn met
het stompje dat
je potlood rest
Je to do lijst
is afgevinkt
dadelijk mag
je gaan voorgoed
Het werk stopt niet
je baan gaat naar
een iemand die
nieuwerwets is
Gewoon in geel
gelicht woorden
opgeschept uit
een diepe sloot
De drek trekt mee
omhoog in de
halfzoete zin
die gedwee volgt
Geen bananen
voor mij in de
muffe dozen
boekenadem
Het licht hijst het
laatste kroos op
een eend snatert
zijn eten na
Dreef door de straat
op drijfnatte
schoenen een boot
voer mij voorbij
De bomen van
de brug sloten
een bel klonk het
schip borrelde
De regen viel
rond mijn schoenen
het riviertje
zwol verder aan
Met het schip voer
de brug open
voelden voeten
nat voorwaarts
We zoeken het
przewalskipaard
maar vinden de
wijze wissent
Ringen moeflons
rondjes om het
water duiken
davidsherten
Eland verstopt
zich in struiken
waar de wilde
zwijnen huizen
Vast in mijn hand
bengelt de band
met mijn teckels
niet loslaten
Ze hebben de
wegwijzers weer
omgedraaid west
is oost is noord
We vliegen naar
het zuiden in
een bus vol met
medelijders
De stroom drukt
ons opzij wij
blazen bellen
van vrees en angst
Ze drijven mee
en slaan dan af
en zwaaien uit
elkaar spatten
Tik het ruitje
maar in dan gaat
de deur vanzelf
voor je open
Het ruikt binnen
naar gestoofde
peertjes met een
vleugje kaneel
Ik sta in de
kamer en zie
ze allemaal
voorbijkomen
Ruit het blaasje
in en je staat
weer buiten maar
de deur niet toe
Hij tuurde de
hemel af waar
kijk je naar vroeg
ik hem zachtjes
Ik kijk wolken
antwoordde hij
zonder blik tot
mij te richten
Hij onderbrak
zijn kijken niet
en tuurde een
lucht die speelde
Elk moment zag
het weer anders
dreven wolken
in fantasie
Ik keek met hem
mee tot ik mij
omdraaide zag
dat hij weg was
Ik glij mee op
een plukje wolk
de zon laat mij
hoger zweven
Ik adem uit
ik blaas de lucht
in wolkjes los
en drijf omhoog
Om mijn bellen
zwermen slierten
wolk het lijkt net
een hoofd met baard
De suikerspin
verdwijnt in de
monden honger
het klaart weer blauw
We gingen naar
de dierentuin
leeuwen krijsten
apen brulden
We knabbelden
patatjes in
het restaurant
met dropjes na
De gorilla's
gingen slapen
kleintjes tegen
zich aangedrukt
Daarna viel de
zon in slaap de
sterren stonden
op en leefden
Zo verdween de
laatste gil van
een dierentuin
de avond uit
De bedienden
sluiten aan in
de rij naar de
kantooroven
Nog even en
het oerwoud gilt
los computers
lianen apen
Slingeren door
de kantoortuin
de telefoons
tieren welig
Van boom tot boom
krijst kakatoe
kakofonie
kantoorgebrul
De kettingzaag
ronkt het hout snijdt
aan twee kanten
vallen op grond
Geplant oerwoud
wordt verloren
paradijs voor
een nieuw gebouw
De zaag graaft een
diepe gleuf gif
straks groeien grijs
muren beton
Blijft herinnering
groen achter van
hoe het was wat
er nu nog is
Oog in oog voor
de schutterij
staan ze klaar de
stad beschermen
De meute is
niet meer tegen
te houden ze
dringen vooraan
Zo zie je de
ruggen van hen
die kijken naar
de schilderkunst
Was ik schutter
dan zag ik de
koppen kijken
ongeschilderd
We zaten hier
op het bankje
in oktober
de zon scheen
Nog vol van de
zomerwarmte
zaten we en
aten ons brood
Het zal lang gaan
duren had ik
horen zeggen
ik snapte niet
Wat is lang komt
die energie
van weleer ooit
weer eens terug
Maar de warmte
van deze zon
belooft mij meer
dan oktober
Ik volg de gracht
op zoek naar je
voetstappen een
laatste roering
Zwanen zwemmen
hun kop vooruit
vleugels statig
de tred rustig
Auto's steken
bruggen over
een voetganger
stopt bij een pand
Van jou is niet
meer dan felix
meritus en
herinnering