de vissen lachen
een brede grijns naar omhoog
tanden als een mens
De stad is een
jungle kijk uit
daar schieten de
auto's voorbij
Roekeloos gaan
ze langs je heen
voor je het weet
grijpen ze je
Bij de kladden
en blijft weinig
meer van je dan
hoopje botten
Vol verdriet dat
in druppels bloed
de weg markeert
en zal doodgaan
De bedienden
sluiten aan in
de rij naar de
kantooroven
Nog even en
het oerwoud gilt
los computers
lianen apen
Slingeren door
de kantoortuin
de telefoons
tieren welig
Van boom tot boom
krijst kakatoe
kakofonie
kantoorgebrul