zon achter wolken
de lucht een hooggebergte
besneeuwde toppen
Ik dacht dat ik
een psalm zong maar
ik vloekte in
de duisternis
De zon was al
onder en jij
bleef weg om mij
bij te schijnen
Mijn mond zong in
wolkjes adem
riepen waar je
gebleven was
Tot ik deze
morgen opstond
en je schijnen
zag op mijn hoofd
Afscheid nemen
is lastig als
150
psalmen daar staan
Elk een idee
gedachte of
gevoel bij het
oorspronk'lijk lied
Vreugde verdriet
huilen lachen
boosheid blijdschap
waarheid leugen
Alles wisselt
van stoel op de
zingen van de
levenszangen
Wat een dag is
het ik zie hoe
het uitspansel
zich weer inspant
Pak ze samen
wolkenhemel
grijp het vast de
tijd doet de rest
Blij glimlachen
de gaten in
de wolken naar
mij en ik schrijf
Hoe de hemel
groter wordt het
uitspansel dijt
nog verder uit
Zonder einde
zingt de wereld
van tralala
de laatste psalm
Ze vieren feest
tot het holst van
de nacht zingen
ze leve toe
Zong ik voorheen
een gat in de
lucht tot waar de
sterren reikten
Nu zing ik voor
haar van die ik
liefheb en ik
houd haar goed vast
Haar armen voel
ik als ik in
haar ogen kijk
zie ik alles
Ik liep onder
een stralende
hemel in de
warme winter
Ik droomde de
hitte van de
zomer en de
blijdschap van toen
De zon is zo
ver weg ze kan
de wolken niet
openduwen
Zo blijft alles
juichen om de
vreugde voor de
grote schepper
Ik trek een pad
tussen dikke
klodders modder
gaan naar mijn broek
De pijpen zijn
opgestroopt maar
het water wil
niet meer zakken
Zo danst jubelt
en blijdt alles
van de regen
in natte drup
Een lier is zo
geregeld de
trommel is vel
over een ton
De rest muziek
draagt het zingen
een noot klinkt mooi
bij een akkoord
Zo zweeft muziek
voor het geloof
uit en vaart ten
hemel schreiend
Wolken vangen
het geluid op
de akoestiek
is hier best slecht
Maar we weten
wel beter dat
de toon muziek
maakt wij volgen
Een struikel is
genoef om je
op te vangen
voor het vallen
De handen slaan
open klaar je
op te vangen
bij het vallen
Geef een vinger
en de rest kleeft
op je vangen
voor het vallen
Je roept wel je
zegeningen
op te vangen
na het vallen
Hoog slingeren
bliksems fel licht
donderen ze
naar beneden
Een hand grijpt van
boven en trekt
bij je lurven
uit dit donker
De koker klemt
om je lichaam
maar de hand blijft
omhoog trekken
Een ademtocht
is genoeg je
laatste vrijheid
weer te krijgen
De hele dag
branden lantaarns
in een grijze
winterwereld
Regen sombert
glimmend op de
donkere straat
een vogel schreeuwt
Geen ontsnappen
aan de tijding
van de langste
donkere dag
De lampjes zijn
prille wachters
van het donker
masker lichtjes
Niets moeilijker
dan wachten op
het licht en de
wereld zwart is
Ik tuur door de
spijlen van mijn
gevangenis
naar de vrijheid
Het slot zit dicht
op de sleutel
van gedachte
hersenbroedsels
Mijn vijand zit
in mij verstopt
de cipier loopt
elk halfuur langs
De sleutels van
mijn bevrijding
rinkelen ik
kan er niet bij
Ik hoop dat hij
mij de sleutel
geeft en zelf mijn
slot openmaak
Kom dichterbij
dan zal ik je
iets vertellen
zacht in je oor
Vertel het niet
verder houd je
mond op tijd dicht
niemand zeggen
Zelfs al ruien
ze je op dan
nog verklap je
niks wat ik zeg
Want je houdt het
geheim met de
beide handen
op elkaar vast
Ze komen en
gaan als het nog
nacht is spelen
ze gedachten
Tussen lakens
verstopt zich de
hinderlaag om
je te grijpen
Als je omdraait
wentelen ze
met je mee en
sluipen binnen
De tredmolen
van gedachten
maalt koren tot
een papje deeg
Het meel wil niet
rijzen want de
oven blijft koud
op hoogste stand
De ochtend dient
zich aan en geeft
een zetje aan
het brood bakken
Licht helpt alles
goed te zien en
vergeet wrange
gedachtenstroom
Zo ontwaak ik
terwijl al mijn
vijanden van
mij wegkruipen
Ik zoek in mijn
binnenste naar
mijzelf en vind
steeds iets anders
Een kreet een geeuw
een gedachte
verandert als
de seizoenen
En dan sneeuwt het
ook nog eens in
de zomer en
wintert hitte
Mussen vallen
van het dak de
pijpestelen
regenen mee
De grond is een
modderpoel drek
van gedachten
vast in moeras
Ken jezelf dan
weet je dat je
een schatkaart bent
zonder de schat
Maar met paadjes
die verdwalen
diepe kliffen
waarin je valt
Noem mij dichter
maar de woorden
stoppen waar het
denken begint
De heilige
tempel ligt hoog
in het huis op
het schap boven
Rijen boeken
wonen keurig
aaneen kaften
kussen elkaar
Overal klinkt
het verhaal dat
op bladzijden
geschreven staat
Er staat een stoel
het is er stil
letters op de
ruggen zwijgen
De pilaren
boeken wijzen
naar de hemel
in van wijsheid
Woorden juichen
en fladderen
om mij heen in
slimme rondjes
Zo drijf ik in
het heiligste
binnenste van
mijn eigen huis
Gekropen slak
in zijn huisje
trek ik in mijn
bibliotheek
Ik zit aan de
oever van de
rivier en kijk
hoe schepen gaan
De trein buldert
zijn weg naar huis
een vliegtuig tuft
de lucht huiswaarts
Alles gaat naar
huis alleen ik
moet hier zitten
aan waterkant
Aan lager wal
meren bootjes
het water klotst
vrolijk deuntjes
Ik hoor hoe het
zingt naar mijn land
het paradijs
wil weer terug
De misthoorn blaast
mijn verlangen
wakker en zegt
dat ik moet gaan
Aan het werk de
dagen van vrij
en weemoed zijn
voorbij gestroomd
Gedreven door
de golven druipt
mijn verlangen
weg van mijn thuis
De grens van de
liefde is het
dunne lijntje
waar het ophoudt
Als je verder
kijkt zie je weer
dingen die er
eerst niet waren
Ik zie dat haar
tranen daar aan
biggelen gaan
de troost droogt op
Pas tegen de
morgen is de
grens in een heus
meer veranderd
Grenzeloos en
oeverloos vliedt
het water waar
zij eens zo zat
Ik zoek haar en
voel haar ogen
staren naar de
diepe gronden
Ze trekt fel van
leer de winter
blaast hagelt sneeuwt
tot ze wit ziet
De hemel schuilt
zijn licht voor de
weergoden de
wereld donkert
In een spleet van
licht schiet ergens
onder wolken
een bliksem los
Wij mopperen
hier valt niet van
te genieten
het duister grijst
Korte dagen
lange nachten
de kou komt langs
nat volgt meteen
Als ik het wist
blies ik terug
nu deins ik iets
naar achteren
Licht zonder de
duisternis geen
licht en dag kan
niet zonder nacht
Zo verdwijnt de
ergernis en
geniet ik van
deez somberheid