Ik woonde weer
op mijn kamer
aan de leidse
lage rijndijk
Alles stond er
nog zoals toen
de tafel voor
het raam het bed
Hoog op poten
eronder stond
het bureau wit
de rieten vloer
Niet veranderd
alles gelijk
zoals het was
droomde ik het
Ik woonde weer
op mijn kamer
aan de leidse
lage rijndijk
Alles stond er
nog zoals toen
de tafel voor
het raam het bed
Hoog op poten
eronder stond
het bureau wit
de rieten vloer
Niet veranderd
alles gelijk
zoals het was
droomde ik het
Een zwarte zwaan
ving ik de nek
ontworstelde
zich aan mijn greep
Beide vleugels
sloegen om zich
heen ik greep weer
en liet niet los
De jutezak
stond klaar om hem
in te stoppen
het lukte niet
In gevecht met
de donsveren
van mijn dekbed
wakkerde ik
Ze fietst voorbij
de jas open
welft de buik bol
in shirt buiten
Ze hangt aan een
mobiel slingert
het pad losse
hand aan het stuur
En praat over
een jurkje de
pumps eronder
zegt ze hoorbaar
Alleen heb ik
een tijgerprint
daar overheen
aangetrokken
De print is niet
te missen net
als de blik die
mij terugkijkt
Je bezwerft de
tuin van wellust
elke hoek is
vol smerigheid
Vuilen woorden
beschelden de
muren staan hol
van schuttingtaal
Het is de straat
die triomfeert
je beschaving
kijkt er slechts naar
Tot de zon weer
opkomt want dan
verdwijnt alles
in gouden gloed
Het licht van de
sikkepit brandt
in een schamel
lampje donker
Voor de rest is
weinig dat het
vooruitzicht streelt
de winter roept
Een korte dag
vol schemering
de zon gaat al
onder voor ze
Goed en wel op
is het pitje
energie brandt
stukjes trager
Dan klinkt lichtjes
de verte op
alleen hoop is
genoeg vandaag
Ik dreef in de
tuinen van het
geluk een vast
omheind gebied
Met bruggetjes
over smalle
wateren voor
de oversteek
Daar de verte
voorbij het hek
leefde onheil
en het gevaar
Ik cirkel door
deze tuinen
op zoek maar naar
wat eigenlijk