ruwe oostenwind
duwt strepen in de lucht
vertwijfelde zon
Vingers vriezen
vast aan het stuur
van mijn ijsfiets
de kou blaast in
Openingen
van mijn dikke
winterjas het
is weer zover
Dan dacht ik dat
er lente stond
kortwiekte het
haar zomers kort
De staart van maart
roert een koude
stroom lucht over
mijn korte haar
Het is genoeg
maar de winter
brult zijn koude
adem nog eens
Hij gaat het heus
verliezen maar
wanneer zou dat
gaan gebeuren
Drieendertig
jaar is de kroon
op het werk van
deze vorstin
Nu vriest het dat
het dooit de vorst
is dadelijk
weer in het land
Laatste resten
dooi rusten in
het gras voor de
abdicatie
De afstand van
kroon naar troon is
een vorst dik voor
zover ik weet
Zonder woning
is geen kroning
dienen is een
soort verdienen
De koning ruist
door de poort het
rijtuig piept voor
het dan stilstaat
Een land is in
rep en roer voor
hem die het roer
nu overneemt
De rug krom van
het lopen zet
mijn voet moeizaam
een stap verder
Mij tegemoet
sjokt een ander
zich de kou van
zijn benen af
Ik kijk omhoog
wolken dampen
de kou nog iets
verder vooruit
Het wordt koud zucht
de nieuwslezer
mijn lijf kraakt al
bevroren ijs