Poezie ligt
op straat tussen
de spleten van
de stoeptegels
Een woord fladdert
omhoog van een
voorbijganger
een raar hoedje
Wipt hem na het
iemand praat in
het openbaar
de telefoon
Zo dichten de
regels zich los
van fantasie
samen gedicht
Poezie ligt
op straat tussen
de spleten van
de stoeptegels
Een woord fladdert
omhoog van een
voorbijganger
een raar hoedje
Wipt hem na het
iemand praat in
het openbaar
de telefoon
Zo dichten de
regels zich los
van fantasie
samen gedicht
De gorgel drukt
op de blauwbil
het luchtpijpje
orgelt slechts slijm
Het hoofd denkt in
watten en briest
soms een vlaagje
viezigheid uit
Dan blaast de neus
een kriebel los
het oog traant de
griep een druppel
Watten willen
heus oplossen
de avond valt
ik vel de griep
In heel het huis
klinkt dezelfde
blaf uit de drie
monden van griep
De symfonie
hoest nu in drie
toonladders een
concert in huis
De toonaarden
blazen alle
kleuren van de
regenboog rond
Niets is veilig
de melodie
kraakt de stemmen
losse fluimen
Alleen ritmisch
geblaf klinkt door
wonderschone
griepsymfonie
Van ver ziet ze
er lekker uit
maar dichtbij valt
ze best tegen
Ik zou het liefst
willen liggen
dromen het beeld
dat ze oproept
In gedachten
is ze mooier
dan ik denken
kan in het echt
Dan zie ik haar
weer toelopen
de verte is
veelbelovend
Daarom laat ik
haar fladderen
en geniet van
mijn fantasie
Het kriebelt dat
het kraakt elke
ademteug stokt
ademhaling
Dan hoesten de
longen leeg de
lucht verdwijnt maar
adem vernauwd
Dunne strepen
lucht blaffen op
maar de kriebel
wil niet stoppen
Zelfs rustig in
je stoel zitten
is genoeg om
te gaan hoesten
Ik krimp ineen
de lucht is op
en elke teug
adem kriebelt
Nog even de
longen blazen
moeizaam op het
tekort aan lucht
Het heerst weet ik
maar zelf zou ik
over schone
longen heersen
Ik knijp ogen
dicht het blijft weer
langer licht dan
gisteren was
Ik knijp nu snel
een oogje toe
de zonnebal
blijft langer staan
Het bolletje
duikt een koprol
over de lijn
van horizon
Nog even licht
dan gaan lantaarns
de weg wijzen
het duister in
Waar de sneeuw lag
druppelt regen
modder op het
bed grassporen
Waar het ijs lag
drijft de regen
kringen in de
waterplassen
Ik hoor muziek
van arvo part
zachtjes schreien
tonen zakken
Stappen kijken
over het pad
waar winter was
ontdooit leven
Nog even de
regen en dan
verdampt alles
voor de lente